Toyah

De in het Engelse Birmingham geboren Toyah Ann Willcox zet haar zinnen aanvankelijk voor honderd procent op een acteercarrière. Na twee maanden toneelschool debuteert ze eind ’76 reeds overtuigend in het tv-spel Glitter en krijgt prompt een plaats aangeboden bij het beroemde National Theatre. Daar blijft ze negen leerzame maanden alvorens haar filmdoop te ondergaan in Derek Jarmans geruchtmakende punkspektakel Jubilee. Kerst ’77 besluit ze ineens zich tevens op het glibberige pad van de popmuziek te begeven en vormt een naar zichzelf genoemde band, bestaande uit gitarist Joel Bogen, toetsenist Pete Bush, bassist Mark Henry en drummer Steve Bray. ’78 wordt gevuld met het instuderen van een repertoire terwijl Toyah ondertussen ambitieus verder bouwt aan haar loopbaan als actrice met rollen in de meest uiteenlopende toneelstukken, tv-spelen en -series en films (variërend van het mod-epos Quadrophenia tot Shakespeare’s The Tempest).

In april ’79 verschijnen op het Londense Safari-label de single Victims Of The Riddle en de alternative play Sheep Farming In Barnet, onder welke laatste titel enige tijd later “SHEEP FARMING IN BARNET” op de markt komt – een Duitse importelpee met alle, ook niet uitgebrachte opnamen die Toyah tot dan toe gemaakt heeft.

In mei ’80 ziet het officiële debuutalbum “THE BLUE MEANING” het licht, dat evenals de vorige platen hoge ogen gooit in de onafhankelijke hitlijsten. De muziek is theatraal en breed van opzet, met punk- en jazz-rockinvloeden.Toyahs zang is schril, fel en imponerend en haar teksten verhalen onveranderlijk van mystiek, decadentie en duistere machten, waarbij zowel verleden, toekomst als vierde dimensie worden aangedaan. Na de vervanging van Henry door Charlie Francis en enkele zeer succesvolle tournees komt de live-compilatie “TOYAH! TOYAH! TOYAH!” uit, maar kort daarna valt de band ten gevolge van door Toyahs nevenbelangen ontstane spanningen uiteen; alleen Bogen blijft. Deze stelt een nieuwe bezetting samen, bestaande uit toetsenist Adrian Lee, bassist Phil Spalding en drummer Nigel Glockler, terwijl Toyah de tijd benut met een hoofdrol in de aandacht trekkende toneelproduktie Sugar And Spice.

In ’81 breekt de groep definitief door met de EP Four From Toyah, het uitstekende “ANTHEM” en het daarvan getrokken I Want To Be Free, die alle drie een Top 5-notering weten te behalen. De muziek is dan tevens toegankelijker geworden en neigt nu naar symfonische rock met een modern Euro-synthesizertintje, hetgeen overigens geen enkele afbreuk doet aan de hondetrouw van Toyahs publiek.

Medio ’82 verschijnt het zo mogelijk nog betere “THE CHANGELING” en vinden tijdens een sfeervol concert in de Londense Hammersmith Odeon de opnamen plaats voor de in oktober te verschijnen dubbelelpee “WARRIOR ROCK (TOYAH ON TOUR)”, waarop nog eens te horen is dat Toyah haar succes niet in de laatste plaats dankt aan haar kwaliteiten als performer c.q. liveband. Des te spijtiger is het andermaal uiteenvallen van de groep: Lee keert na zijn zomervakantie niet meer terug en maakt de te verwaarlozen dansplaat “THE MAGICIAN”, Spalding verruilt zijn werkgeefster eind ’82 voor Mike Oldfield, en Glockler vertrekt begin ’83 naar de heavy metal-formatie Saxon. Opnieuw blijft alleen Bogen achter en opnieuw rust op hem de taak een nieuwe groep bijeen te garen. Toyah de actrice schittert in de tussentijd in de Londense produktie van het theaterstuk Trafford Tanzi, een rol die terzelfder tijd in New York door Blondie’s Debbie Harry wordt gespeeld.

Als dat najaar “LOVE IS THE LAW” verschijnt, blijkt Bogen weliswaar in zijn opdracht te zijn geslaagd, maar is anderzijds van een officiële band niet langer sprake. Toyah wenst klaarblijkelijk slechts gebruik te maken van anonieme, inwisselbare begeleiders, van wie tenslotte ook Bogen voor de verdere eer bedankt: op “MINX” is hij niet meer van de partij. Een en ander komt de kwaliteit van de muziek niet ten goede, hetgeen gepaard gaat met een sterk dalende publieke belangstelling