The Talking Heads

Newyorkse post-punk / new-wave band met een intellectueel imago, niet in de laatste plaats door de belangrijke stem die leider David Byrne als zanger, gitarist en songschrijver heeft in het groepsgeluid. Byrne vertoont een maniakale neiging om alles in systeem-analytische termen te vangen; zijn teksten zijn volgens de grondbeginselen van de logica opgebouwd. De muziek van de groep vertoont vaak wat wrang klinkende, typisch Byrneske melodiewendingen, die een bijzonder warme naklank blijken te herbergen. Die zo staccato klinkende muziek en de in multiple choice gestelde liefdesverklaringen worden op den duur juist een uiting van Byrnes overmatige gevoel voor romantiek; de songs zijn daar een medicijn voor.

Talking Heads heet aanvankelijk Vogue Dots en wordt in januari ’75 opgericht door zanger gitarist David Byrne, drummer Chris Frantz en basiste Tina Weymouth, alle drie studenten aan de Rhode Island School Of Design. De laatste twee zitten eerder in The Artistics, een vooral uit soul, beat en sixtiespunk puttende coverband. Talking Heads speelt van meet af aan eigen materiaal; in eerste instantie uitsluitend in CBGB’s, de club waar de groep in juni ’75 haar live-debuut maakt in het voorprogramma van de Ramones.

De Heads zijn dan nog een typische representant van de Amerikaanse new wave. In maart ’77, kort nadat de groep is aangevuld met toetsenist Jerry Harrison (ex-Modern Lovers), verschijnt hun nog als trio opgenomen eerste single, Love Goes To Building On Fire. In mei komt de groep, als support act van de Ramones, voor het eerst naar Europa, waarbij ook Nederland wordt aangedaan. In de zomer trouwen Tina Weymouth en Chris Frantz met elkaar en in het najaar verschijnt het veelbelovende debuutalbum “77”. Het tweede album “MORE SONGS ABOUT BUILDINGS AND FOOD”, uit 1978 ligt in het verlengde van “77” en wordt geproduceerd door Brian Eno. Op het derde album “FEAR OF MUSIC” uit 1979 is zijn invloed nog duidelijker merkbaar. Byrnes teksten worden steeds compacter en simpeler, getuige de songtitels die op “FEAR OF MUSIC” in de meeste gevallen uit één woord bestaan. De songs zijn strakker georganiseerd, terwijl ze tegelijkertijd door Eno’s subtiele toevoegingen avontuurlijker zijn geworden.

Hier en daar klinken de eerste Afro-ritmes door, een ontwikkeling die doorzet op het vierde album “REMAIN IN LIGHT”, waarop de groep wordt aangevuld met gitarist Adrian Belew (bekend van concertwerk met Zappa en Bowie), zangeres Nona Hendryx (ex-Labelle), percussionist Jose Rossy en trompettist Jon Hassell. In uitgebreide bezetting toert men door Europa, waar de aanhang sterk groeit. Zo wordt Talking Heads een echte topband, compleet met (naar al spoedig blijkt groepsondermijnende) solo-activiteiten van alle vier de kernleden.

David Byrne Die van Byrne groeien mettertijd uit tot een zeer diverse, ambitieuze en complete eigen carrière, terwijl die van de anderen een hobby-achtig karakter blijven dragen. Byrne verzorgt de muziek bij een Broadway-productie, “SONGS FROM THE CATHERINE WHEEL”, en maakt met Brian Eno “MY LIFE IN THE BUSH OF GHOSTS”, een opvallend en trendsettend album vol wereldmuziek avant la lettre. Tina en Chris gaan in de weer met Tom Tom Club (inclusief twee zusjes van Tina), die zomer ’81 vrolijke hits heeft met de singles Genius Of Love (Verenigde Staten) en Wordy Rappinghood (Europa). Ook Harrison maakt in ’81 een plaat buiten de groep om. De geruchten als zou er van een breuk sprake zijn worden ontzenuwd door het verschijnen van het live-album “THE NAME OF THIS BAND IS TALKING HEADS” en de concerttournee van zomer ’82.

Daarbij staan zwarte muzikanten als Steve Scales, Alex Weir, Raymond Jones en Dolette McDonald de groep terzijde, terwijl Tom Tom Club het voorprogramma verzorgt. Het zesde album “SPEAKING IN TONGUES” uit 1983 bevestigt de status van intelligente band nog eens ten volle. Vervolgens legt de groep zich met regisseur Jonathan Demme toe op het maken van de avondvullende bioscoopfilm, Stop Making Sense, gebaseerd op een speciaal in scène gezet ‘live’-optreden van de groep.

Deze zeer fraaie film blijkt een kassucces en drie van de soundtrack “STOP MAKING SENSE” geplukte singles worden hits. Talking Heads is definitief van cultband een publieksband geworden. Het toegankelijke en positivistische “LITTLE CREATURES” uit 1985 verschijnt tegelijk met het serieuze, moeilijk toegankelijke “MUSIC FOR THE KNEE PLAYS”. Hierna stort Byrne zich op een nieuw filmproject: True Stories. “SOUNDS FROM TRUE STORIES” bevat een gedeelte van de soundtrack, terwijl op het nogal tegenvallende “TRUE STORIES” alle liedjes uit de film geinterpreteerd worden door de Talking Heads. Op “NAKED” werken de Heads samen met een aantal in Parijs woonachtige Afrikaanse musici. Naast deze ‘Congo-pop’ spelen ook Latijns-Amerikaanse ritmes een belangrijke rol. Verder werken aan deze plaat mee: gitarist Johnny Marr (ex-Smiths), toetsenman Wally Badarou en zangeres Kirsty MacColl, de vrouw van co-producer Steve Lillywhite.

Nadat Talking Heads de laatste jaren steeds meer een zieltogend bestaan heeft geleid wordt de band eind ’91 definitief opgedoekt. In de herfst van ’92 verschijnen nog twee compilaties: de greatest hits “THE BEST OF/ONCE IN A LIFETIME” en “POPULAR FAVOURITES 1976-1992/SAND IN THE VASELINE” dat grotendeels dezelfde nummers bevat, aangevuld met CD-tracks en niet eerder uitgebracht materiaal.