The Police

The Police wordt opgericht in de punktijd van de late jaren 70, maar afgezien van het gebleekte piekhaar en de energieke aanpak was er verder weinig punk aan. In werkelijkheid ging het hier drie vrij ervaren musici, die de ritmiek van de reggae opvulde met ruimtelijke akkoorden en goed in het gehoor liggende melodielijnen. De groep groeit uit tot een van de succesvolste acts van haar tijd. The Police presenteert zich echter aanvankelijk wel degelijk als punk. Oprichter en drummer Stewart Copeland, zoon van een Amerikaanse CIA-agent, reist de halve wereld rond alvorens zich eind ’74 te voegen bij de Londense artrock-formatie Curved Air. Twee jaar later, vlak voor het uiteengaan van die band, ziet hij in Newcastle een optreden van een plaatselijk jazzcombo, Last Exit, en raakt onder de indruk van de kwaliteiten van de zanger annex bassist Sting (echte naam Gordon Sumner), die hij enkele weken later weet over te halen om naar Londen te komen om een nieuwe groep te formeren.

Als derde man voegt de technisch gebrekkige gitarist Henry Padovani, een kroegmaat van Copeland, zich bij het tweetal en dit trio maakt voorjaar ’77 de single Fall Out/Nothing Achieving voor het Illegal-label van Copelands broer Miles, de latere manager van de groep.

Het plaatje past perfect in het heersende punkklimaat en verkoopt dan ook uitstekend, waarna The Police gevraagd wordt om als voorprogramma en begeleidingsband te fungeren tijdens Europese tournees van Cherry Vanilla en Wayne County & The Electric Chairs. Laatstgenoemde trip eindigt in Parijs, waar Padovani zich bij de Newyorkers aansluit, waarop Sting en Copeland in veteraan Andy Summers (Big Roll Band, Dantalian’s Chariot, Soft Machine, The Animals) een meer dan adequate vervanger vinden. Met name Sting, die The Police tot dan toe als niet meer dan een slechte grap heeft beschouwd, is zeer ingenomen met Summers’ komst en men besluit de zaken eens echt serieus aan te gaan pakken. Er wordt een nieuwe single opgenomen: Roxanne, een compositie van Sting, die aanvankelijk wegens het onzedelijke thema (prostitutie) door de BBC wordt geboycot. De werkzaamheden aan de eerste elpee verlopen niet erg voorspoedig, met name omdat producer John Cale abusievelijk meent met een punkband te maken te hebben. “OUTLANDOS D’AMOUR” wordt vervolgens zonder Cale afgemaakt, maar eerst verschijnt nog de single So Lonely, dat in ons land een kleine hit wordt.

Daarna wordt Roxanne opnieuw uitgebracht en een nog groter succes. Inmiddels is de groep op tournee door de States, waar Roxanne ook goed wordt ontvangen. “OUTLANDOS D’AMOUR” verschijnt in februari ’79, waarna de groep een uiterst succesvol optreden op Pinkpop verzorgt. De doorbraak is een feit als Can’t Stand Losing You de Top 10 haalt.

Het 2de album “REGGATTA DE BLANC”, dat gepolijster klinkt dan het nog vrij rauwe “OUTLANDOS D’AMOUR” en dat hits bevat als Message In A Bottle en Walking On The Moon, verleent de groep internationale superstatus. Het in de Hilversumse Wisseloord Studio’s te haastig opgenomen 3de album “ZENYATTA MONDATTA” stelt weliswaar wat teleur, maar levert The Police wel haar eerste Amerikaanse platina elpee op, naast opnieuw twee wereldhits in de vorm van Don’t Stand So Close To Me en De Do Do Do, De Da Da Da. Copeland maakt intussen als Klark Kent een aantal singles en de alleszins aardige 10-inch “KLARK KENT”. Het op het gelijknamige boek van de Hongaars-Engelse joumalist/schrijver Arthur Koestler gebaseerde 4de album “GHOST IN THE MACHINE” geeft de groep een wat serieuzer imago, zonder overigens ook maar iets af te doen aan de immense populariteit.

Hetzelfde geldt voor het 5de album “SYNCHRONICITY”, dat het psychologische begrip ‘synchroniciteit’ als uitgangspunt heeft en The Police met “Every Breath You Take” haar eerste Amerikaanse nummer één-hit oplevert. Wat “SYNCHRONICITY” ondanks het vertrouwde hoge niveau echter ook laat horen, is een tussen de noten door sluipende eentonigheid die niet alleen op vermoeidheidsverschijnselen afgewenteld kan worden. De ware artistieke uitdaging lijkt verdwenen, nu de drijfveer tot roem en erkenning ruimschoots gesust is en de interne spanningen hoog oplopen.

The Police besluit voorlopig te stoppen en de groepsleden geven zich over aan andere privé-interesses. Summers geeft een fotoboek uit, Throb, en zet zijn eerder begonnen samenwerking met Robert Fripp (KING CRIMSON) voort. Copeland draagt bij aan de soundtrack van Francis Ford Coppola’s speelfilm Rumble Fish en werkt vervolgens aan een eigen rolprent over Afrikaanse muziek, The Rhythmatist, waarvoor hij in samenwerking met de Afrikaanse zanger Ray Lema een fraaie soundtrack samenstelt: “THE RHYTHMATIST”. Zowel Summers als Copeland kunnen echter niet tippen aan Sting als het gaat om solosucces. Deze speelt zich met zijn soloplaten en filmrollen wereldwijd in de kijker. Naast bovengenoemde activiteiten schrijven Summers en Copeland tevens muziek voor tv-series, waarin ze af en toe een rol vervullen. Op Copelands “THE RHYTHMATIST”, een van de eerste platen voor een nieuw label van zijn broer, staan voorbeelden hiervan, evenals andere meer en minder geslaagde homestudio-probeersels.

Summers schrijft (gedeeltelijk) de soundtrack voor de film Down And Out In Beverly Hills, en Copeland componeert een traditionele opera voor een zeventig koppig symfonie-orkest, nadat hij al eerder op basis van Shakespeares King Lear een klassiek stuk heeft geschreven voor het ballet van San Francisco. In ’86 hebben Summers, Sting en Copeland hun ruzie bijgelegd en nemen ze een nieuwe versie op van Don’t Stand So Close To Me, dat in diverse landen onmiddellijk opnieuw een hit wordt. Op 10 maart 2003 is het trio opgenomen in “the Rock and Roll Hall of Fame”. Ter ere daarvan speelde het trio voor het eerst zins 17 jaar weer samen. De nummers die gespeeld werden: Message in a bottle, Roxanne en Every breath you take.