The Cure

Bijna onwaarschijnlijke mainstreamgroep uit Engeland, die zeer succesvol is met een schizofrene mix van ultieme memento mori-weemoed en losbandige joligheid. De band wordt eind ’76 in Crawley opgericht, heet achtereenvolgens Goat Band, Obelisk, Malice en, vanaf januari ’77, Easy Cure en bestaat dan uit songsmid Robert Smith, gitarist Porl Thompson, bassist Michael Dempsey en drummer Laurence ‘Lol’ Tolhurst. Hun praktische pop is modern intelligent en licht experimenteel, maar staat met de voeten stevig in de poptraditie van de jaren zestig. In ’78, nadat Thompson is opgestapt en de naam ingekort tot The Cure, verschijnt de debuutsingle Killing An Arab, die evenals opvolgers Boys Don’t Cry en Jumping Someone Else’s Train de Engelse Top 30 weet te bereiken.

In ’80 staan deze eerste singles op Boys Don’t Cry, een in totaal met vijf nummers herziene versie van “THREE IMAGINARY BOYS”, het debuutalbum dat voorjaar ’79 uitkomt en waarmee The Cure zich aan de kop van het new wave-peloton vestigt. Dempsey moet het veld ruimen voor Simon Gallup en toetsenist Matthieu Hartley wordt aangetrokken om een nieuwe Cure-sound te vervolmaken. “SEVENTEEN SECONDS” laat dan ook een totaal nieuw geluid horen, dat als sfeervol, melancholiek en dromerig te kenschetsen valt en de groep verrassenderwijs aan een grote doorbraak helpt. De van “SEVENTEEN SECONDS” getrokken single A Forest wordt ook in Nederland een hit en daarmee is The Cure ook hier tot topgroep verheven.

Het weer zonder Hartley opgenomen “FAITH” is een plaat die doorborduurt op de formule van “SEVENTEEN SECONDS” en alleen al daarom minder interessant is. Toch blijven Smith c.s. naar nieuwe wegen zoeken. Zo toert de groep in de zomer van ’81 met een circustent het land rond en bestaat het voorprogramma uit een eigen animatiefilm, Carnage Visors, waarvan de soundtrack verkrijgbaar is als bonus op de cassetteversie van “FAITH”. Het matig ontvangen “PORNOGRAPHY” zorgt in ’82 voor een dalende populariteit. Januari ’83 verlaat Gallup The Cure om met Hartley de groep Cry te vormen, die niet veel later herdoopt wordt in het gezichtsloze Fools (Can) Dance. Smith speelt tijdelijk gitaar bij Siouxsie And The Banshees.

Samen met drummer Andy Anderson (ex-Brilliant) en Banshees-bassist Steven Severin maakt hij bovendien als de gelegenheidsformatie The Glove het psychedelische “BLUE SUNSHINE”. Een paar maanden eerder scoort The Cure een Engelse hit met het vrolijke niemendalletje Let’s Go To Bed. Getuige ook vervolgsuccesjes als The Walk en The Love Cats en de alleen in Nederland uitgebrachte mini “THE WALK” lijkt de immer grillige Smith te zijn overgestapt van extreme zwaarmoedigheid naar luchtige jolijt. De compilatie “JAPANESE WHISPERS: THE CURE SINGLES NOV 82: NOV 83” haakt in op de hernieuwde populariteit.

In de zomer van ’84 verschijnt “THE TOP”, een opvallend psychedelische plaat, vol lichte en enkele wat zwaardere nummers. De nieuwe Cure, naast Smith en de naar toetsen geswitchte Tolhurst bestaande uit verloren zoon Porl Thompson (nu ook saxofoon), bassist Phil Tornally en drummer Andy Anderson, treedt weer met ongekend veel succes op. Na het live-album “CONCERT THE CURE LIVE”, waarvan de cassette-uitvoering tien extra, niet eerder uitgebrachte opnamen telt, komt Smith met de luchtige, zeer commercieel klinkende pop van “THE HEAD ON THE DOOR”, waarop huurling Anderson vervangen is door drummer Boris Williams en bassist Gallup is teruggekeerd. Tijdens de aansluitende wereldtoer zijn The Cure op Pinkpop ’86 een geïnspireerde top of the bill. De tournee eindigt in het Zuidfranse Orange, waar videomaker Tim Pope een optreden filmt. Het resultaat is het twee uur durende The Cure In Orange.

Op de tegenvallende maar afwisselende en commercieel succesvolle dubbelaar “KISS ME KISS ME KISS ME” citeert The Cure naar hartelust uit eigen werk en dragen Tolhurst en Gallup ook hun compositorische steentje bij. Voorjaar ’87 onderneemt de groep een tournee door Zuid-Amerika, waar ze een immense populariteit geniet. Na een bezinningsperiode, waarin oudgediende Tolhurst wordt ontslagen, verschijnt voorjaar ’89 “DISINTEGRATION”, waarop toetsenist Roger O’Donnell (ex-Psychedelic Furs) zijn opwachting maakt.

“DISINTEGRATION”, een conceptalbum over ouder worden, sluit qua sfeer en met zijn slepende, atmosferische klaagzangen aan bij “SEVENTEEN SECONDS” en “FAITH”. In de zomer van ’90 wordt O’Donnell weer vervangen door ex-roadie Perry Bamonte. Tolhurst zet samen met ex Fools Dance-zanger Gary Biddles de weinig opvallende en niet van Cure-invloeden gevrijwaarde band Presence op. Ook The Cure zelf verkeert in een creatieve impasse, waarvoor “MIXED UP” en later “ENTREAT” doorzichtige afleidingsmanoeuvres zijn. Het opgewekte dansalbum “MIXED UP” is een opportunistisch herkauwertje met opnieuw opgenomen nummers, remixen van oud Cure-materiaal en één verse song. Een perfecte CD voor een partijtje van bezopen Cure-fans, oordeelt Smith zelf.