Siouxsie And The Banshees

Populaire formatie met een verre van dogmatische ijskoningin als opperhoofd. Siouxsie And The Banshees zijn een grillige Britse groep, die in ’76 wordt opgericht door serveerster Siouxsie Sioux (in Londen geboren als Susan Ballion) en Steven Severin. Het bevriende stel heeft onder andere een gelijkgestemde muzikale smaak: Bowie, Roxy Music, New York Dolls, Stooges, Lou Reed en vooral Sex Pistols. Met mede non-musici Sid Vicious (op drums) en Marco Pirroni (op gitaar) volgt een legendarisch debuutoptreden tijdens het punkfestival in de Londense 100 Club, met een chaotische versie van het Onze Vader. Twintig minuten muzikale anarchie is het resultaat en de ideeën die eruit voortkomen worden gekanaliseerd. Er volgen zes maanden van sleutelen, samen met drummer Kenny Morris en gitarist Peter Fenton.

Na een tweede optreden wordt Fenton vervangen door John McKay en vinden The Banshees hun definitieve uitgangspunten. McKay’s onorthodoxe gitaarspel, gesteund door de diep doorbonkende ritmesectie, vormt de perfecte tegenpool voor Siouxsies hoge en koele stem. Door steeds succesvollere optredens bouwt de groep een grote faam op en gedurende anderhalf jaar gaat ze door voor ‘de meest belovende band zonder een platencontract, totdat ze medio ’78 tekent bij Polydor.

Het ongelijk van andere platenmaatschappijen met betrekking tot het gebrek aan hitgevoeligheid bewijst de eerste single, “Hong Kong Garden”, die de hitlijsten binnenstormt. Met het debutalbum “THE SCREAM” bevestigen Siouxsie And The Banshees hun reputatie als de meest stimulerende, subversieve en elitaire band van dat jaar. Met het tweede album “JOIN HANDS” zakt de groep echter weg in een ondoorzichtige brij. Het album klinkt benauwd en claustrofobisch. Direct na de release van “JOIN HANDS”, midden in een Engelse tournee, besluiten gitarist McKay en drummer Morris er tussenuit te knijpen. De toer wordt hakkelend afgemaakt met behulp van The Cures Robert Smith en ex Slits-drummer Budgie, die daarna bij de groep blijft. Dit drietal maakt later, met behulp van gitaristen als John McGeoch (ex-Magazine) en Steve Jones (ex-Sex Pistols) het derde album “KALEIDOSCOPE”, een sterk fragmentarische plaat. De muziek is nog altijd obsessief en emotioneel, maar nu ook lichter en sferischer van toon; intens maar brokkelig.

Na een aantal succesvolle tournees, de inlijving van John McGeoch en opnieuw een goede single in de vorm van ‘Israel’, volgt de definitieve Banshees-elpee “JU JU”. Het geluid is ditmaal coherent, jagend en spannend als altijd, terwijl de tekst en muziek doen denken aan zwarte magie, moerassen en geesten. Toch voegt de plaat weinig meer toe aan wat de band ons, weliswaar in gefragmenteerde vorm, eerder voorzet. Met het vijfde album “A KISS IN THE DREAMHOUSE” verzet de groep de bakens. Niet zozeer de song als wel het geluid en de atmosfeer ervan staan nu centraal. Het mysterie van weleer is nog altijd sterk aanwezig, maar de nieuwe Banshees-elpee ademt vooral in geluid en benadering een vernieuwingsdrift uit.

Na “A KISS IN THE DREAMHOUSE” verdwijnt McGeoch weer van het toneel. Zijn plaats wordt zolang warmgehouden door vaste invaller Robert Smith, met wie Severin tussen de bedrijven door ook nog samenwerkt als The Glove. Siouxsie en Budgie leven zich intussen als het mysterieuze duo The Creatures uit met “FEAST”. Het zesde album “NOCTURNE” is een zoethouder in de vorm van een dubbele live-elpee, terwijl de punk-overlevers van weleer door een creatief dal gaan met de Beatles-cover Dear Prudence, een nummer dat hen wel naar de hogere regionen van de hitparade voert. Maar voor ’84 hergroepeert Siouxsie haar stam. Na het zevende “HYAENA” verkiest Smith de drukte rond zijn eigen “The Cure” ten gunste van John Carruthers (ex-Clock DVA). Diens inbreng op het achtste album “TINDERBOX” levert geen substantiële veranderingen op, maar de plaat, die voorjaar ’86 verschijnt, is luchtiger van karakter dan het obsessieve, chaotische “HYAENA”.

De groep richt zich in ’86 op de nog te ontginnen markten in Noord- en Zuid-Amerika. In Latijns Amerika worden de Ice Queen en haar gevolg warm onthaald. Naar aanleiding van een royalty-kwestie in verband met John Peel Sessies uit ’77 (uitgebracht door Strange Fruit) vertonen eind ’86 de voormalige Banshees McKay en Morris enig teken van leven. Beiden blijken met een nieuwe single te komen, respectievelijk als leider van de groep Zor Gabor (Tightrope) en onder eigen naam (La Main Mort). In januari ’87 vergroot Carruthers het gitaristen-trauma van de Banshees door zijn vertrek uit onvrede over het uitstellen van een nieuwe tournee.

Siouxsie Hij is nog wel te horen op het modieuze tussendoortje “THROUGH THE LOOKING GLASS” het negende album, een cover-elpee, waarmee de Banshees eer proberen te bewijzen aan hun favorieten (o.a. Iggy Pop, Billie Holliday en Television). Ze slagen daarin maar gedeeltelijk, omdat ze te weinig van zichzelf in de nummers leggen. Gitarist Jon Klein (ex-Specimen) en toetsenist Martin McCarrick (ex-Marc Almond And The Willing Sinners) maken hun Banshee-debuut op het tiende album “PEEPSHOW”. Klein speelt degelijk, maar het is McCarrick die met zijn cello, viool en accordeon smaakvolle accenten aanbrengt in het afwisselende, bij vlagen zeer sfeervolle songmateriaal. “PEEPSHOW” is Siouxsies meest succesvolle album in de Verenigde Staten. Siouxsie en Budgie halen na lange tijd hun alter ego’s The Creatures weer eens van stal en nemen in de zomer van ’89 op het Spaanse platteland het contrastrijke en percussief sterke “BOOMERANG” op.

Zomer ’91 verschijnt het redelijk geslaagde “SUPERSTITION”, waarop Siouxsie And The Banshees met het aantrekken van de gewiekste pop-producer Stephen Hague kiezen voor een poppy aanpak met diepgang. De groep maakt deel uit van de Lollapalooza-package, die door de Verenigde Staten toert. De verzamelaar “TWICE UPON A TIME/THE SINGLES”, het logische vervolg op “ONCE UPON A TIME/THE SINGLES”, bestrijkt Siouxsie’s fraaie singles-carrière van ’82 tot en met ’92, waarin de groep de single Face To Face voor de film Batman Returns maakt. De achttien nummers zijn in Engeland een hit(je) en tonen de veelzijdigheid aan van een band die verder kijkt dan zijn neus lang is.