Japan

Met Rob Dean op gitaar gaat Japan in 1974 van start. De groep modelleert zich aanvankelijk naar het nichterige imago van The New York Dolls en levert met “ADOLESCENT SEX” een niet onaardige funky anglo-popplaat af die de groep vooral bij middelbare schooldeernen populair maakt. Achter de opgemaakte gezichten schuilt echter een zwaarmoedige ziel, zo blijkt uit het teutoonse “OBSCURE ALTERNATIVES”. Ondanks het hitsucces van de nog van “ADOLESCENT SEX” afkomstige single Adolescent Sex wordt de band door veel popliefhebbers nog amper serieus genomen. Daar komt pas verandering in als op de singles Life In Tokyo en European Son het album “QUIET LIFE” volgt, een plaat die een subtiele aaneenschakeling is van vloeiende ritmes, Mick Karns fretloze baslijnen en koele, zwaarmoedige toetsenpartijen.

David Sylvian is in zijn teksten steeds introspectiever geworden en zijn zang ademt een diepe, ragfijne melancholie uit. “GENTLEMEN TAKE POLAROIDS” gaat op betoverende wijze verder op het ingeslagen pad en legt de brug naar het fraaie “TIN DRUM”. Als die plaat verschijnt is inmiddels de New Romantics scene ontstaan die de groep als een voorloper op het romantische glamourpad omarmt en haar – eindelijk – succes bezorgt.

“TIN DRUM” is een onbetwist meesterwerk waar op unieke wijze Chinese en Japanse invloeden met westerse pop worden gemengd en waarop David Sylvian opnieuw een melancholieke hoofdrol speelt. De plaat blijkt de zwanezang van de groep te zijn die na de eropvolgende wereldtournee (vastgelegd op het prachtige “OIL ON CANVAS”) door ernstige meningsverschillen tussen Mick Karn en David Sylvian uit elkaar valt. De bandleden beginnen allen solocarrières. Karn probeert iets uit met voormalig Bauhaus-zanger Peter Murphy in de vorm van Dalis Car en maakt twee half geslaagde solo-elpees. Steve Jansen en Richard Barbieri borduren als The Dolphin Brothers zonder veel resultaat voort op Japan middels “CATCH THE FALL”. Alleen David Sylvian heeft meer succes. Samen met Ryuichi Sakamoto maakt hij de 12 inch Bamboo Houses en de single Forbidden Colours, die bestemd is voor de soundtrack van de film Merry Christmas Mr. Lawrence (met David Bowie in de hoofdrol). Sakamoto is, naast het excentrieke ex Can-lid Holger Czukay en avantgarde-trompettist Jon Hassell ook van de partij op “BRILLIANT TREES”, een zeer persoonlijk, pastoraal getint juweeltje waarin Sylvian de Chinapop van “TIN DRUM” mengt met ambient-achtige geluidslandschappen.

Ook op andere terreinen is Sylvian actief: zo wordt in ’84 een tentoonstelling gewijd aan zijn foto’s en maakt hij een jaar later de video Steel Cathedrals waarvan “ALCHEMY – AN INDEX OF POSSIBILITIES” gedeeltelijk de soundtrack is. Het in een foeilelijke hoes gestoken “GONE TO EARTH” is een dubbelalbum dat bestaat uit flarden rond Sylvians breekbare zang gecentreerde songs en uit een aantal filmische, fragmentarische sfeerstukken.

Sylvian begeeft zich steeds verder in die richting, hetgeen in de vorm van “SECRETS OF THE BEEHIVE” en de met Holger Czukay vervaardigde “PLIGHT & PREMONITION” en “FLUX + MUTABILITY” resulteert in vervelend, atmosferisch gefröbel. Ook een voorjaar ’88 opgezette wereldtournee is geen erg geïnspireerde vertoning. Half ’90 komt het bericht dat een reünie van Japan ophanden is. Inderdaad blijken Sylvian, Karn, Barbieri en Jansen voor het eerst sinds ’81 samen in een studio te zitten, zij het onder de naam Rain Tree Crow. Als “RAIN TREE CROW” begin ’91 verschijnt blijkt dat echter veel eerder een voortzetting van Sylvians solowerk te zijn dan het vervolg op “TIN DRUM”. Het album is deels improviserend ontstaan en ontbeert de magie van het vroegere Japan-werk. Na het uitkomen van de plaat gaan de leden opnieuw ieder huns weegs. “RAIN TREE CROW” is daarmee het verlate requiem van een groep die ooit briljant was.