Depeche Mode

Continu met haar imago worstelende synthesizergroep die maart ’80 in het Engelse forensenstadje Basildon start als naamloos trio, bestaande uit Martin Gore (synthesizer), Andrew Fletcher (bas) en Vince Clarke (gitaar/composities). Na het aantrekken van Gahan vernoemt de groep zich naar het Franse modeblad Depeche Mode en schakelt men onder invloed van elektropopgroepen als Orchestral Manoeuvres In The Dark geheel op synthesizers over. Al spoedig staat Depeche Mode voor pure pop, briljante songs en frisse onschuld, vooralsnog geplaatst op een wervelende discobeat. Tijdens een optreden in de Londense club The Bridgehouse wordt het viertal opgemerkt door Blitz-kopstuk en DJ Stevo (Steven Pearse), hetgeen resulteert in een track op diens compilatie Some Bizzare Album (Some Bizzare ’81).

In dezelfde gelegenheid maken ze grote indruk op Mute-labeleigenaar Daniel Miller, die in februari ’81 hun eerste single Dreaming Of Me uitbrengt. Het plaatje stoot onmiddellijk door naar de eerste plaats van de ‘independent’ lijsten en beroert tevens de onderste regionen van de officiële charts.

De twee volgende singles maken de groep zo populair dat hun debuutalbum “SPEAK & SPELL” zonder moeite de goudstatus in het thuisland bereikt. Het overweldigende succes is reden voor de publiciteitsschuwe Clarke om op te stappen en weer van voren af aan te beginnen met een nieuw project, Yazoo. Zijn plaats bij Depeche Mode is intussen bezet door Alan Wilder en zijn taak als componist wordt overgenomen door Gore. De laatste slaagt er wonderwel in de hitmachine in werking te houden en breekt met de band zelfs langzaam de Amerikaanse (dans-)markt open. Vriend en vijand worden vervolgens verrast met het ingetogen album “A BROKEN FRAME”, waarop de strakke danskaders plaats hebben gemaakt voor pastorale pracht en het ritme van de regen. Achteraf blijkt “A BROKEN FRAME” een overgangsplaat.

Terwijl de hitparade met een feilloze regelmaat drie keer per jaar beklommen wordt, werkt de groep op haar albums vooral aan een groei naar volwassenheid. Via de albums “CONSTRUCTION TIME AGAIN” en “SOME GREAT REWARD”, die thematisch gekenmerkt worden door een ontwakende realiteitszin, bereikt Depeche Mode evenwicht. Vreemd genoeg brengen de van die albums getrokken singles, die minder makkelijk in het gehoor liggen dan de voorgaande, commerciël succes in Nederland.

Niettemin blijft men intussen worstelen met een teenybopper-aanhang en twijfelachtige kritieken in de serieuze muziekpers. Ook “BLACK CELEBRATION”, een conceptalbum met donkere atmosferische stukken, brengt daar geen verandering in, evenmin als het Recoil-hobbyproject van Wilder, die met stijlelementen uit de klassieke en minimale muziek sferische en orkestrale stukken smaakvol met elkaar in evenwicht houdt. Depeche Mode zelf lijkt met “MUSIC FOR THE MASSES” uiteindelijk toch het hoofd te buigen voor het hardnekkige imago; de titel spreekt boekdelen. In die situatie komt een kentering als in het kielzog van nieuwe danstrends (new beat, electronic body music) een herwaardering van hun eerdere producten plaatsvindt, en door middel van “DEPECHE MODE 101”, een verrassende dubbele live-CD inclusief Anton Corbijn-fotoboek, en de bijhorende videoregistratie krikt men het met “MUSIC FOR THE MASSES” enigszins geschonden imago weer op.